La Lys

 


Van vlas tot linnen

Vlas

Roten in de Leie

Warmwaterroten

Zwingelen

hekelen

 

Vlas (Linum usitatissimum) is een gewas dat al sinds mensenheugenis verbouwd wordt. De mens weet al meer dan tienduizend jaar dat deze gulle gift van de natuur aan de basis ligt van stoffen met heel bijzondere eigenschappen: het voelt aangenaam zacht aan, is uitstekend te verven, gaat jaren mee en biedt een weergaloos comfort.

Vandaag de dag is vlas een van de weinige natuurlijke vezels die nog op grote schaal in West-Europa worden verbouwd: jaarlijks wordt vlas geteeld op een oppervlakte van 85.000 ha. in Zuid-Nederland (Zeeuws-Vlaanderen), België en vooral Noord-Frankrijk. De weersomstandigheden in onze contreien zijn dan ook ideaal voor het verbouwen van vlas. Het feit dat de vraag naar linnen wereldwijd toeneemt, betekent ook dat het verbouwen van vlas een lucratieve aangelegenheid is.

ROTEN
Aan roten in stromend water werd al vanaf de Middeleeuwen de voorkeur gegeven omdat dit een betere vezelkwaliteit gaf en het hele rootproces slechts 7 à 10 dagen duurde. Vooral de Leie en haar bijrivier de Mandel waren voor deze rootwijze uiterst geschikt. De methode bewerkstelligde een heel aparte licht goudgeelachtige kleur. Het specifieke Leiewater gaf ook een grote mate van soepelheid én stevigheid, waaraan de Golden River vanaf de Franse grens tot Astene haar naam te danken heeft. Iedere vlasser of Leieboer had op de oevers van de Golden River (= Leie) zijn eigen “aard” (=een strook oever waarop het roten werd verricht) en rootte met eigen materiaal. Over de hele lengte waren eiken paaltjes aangebracht, waaraan men de “hekkens” met kettingen kon vastleggen.

Deze bakken waren aanvankelijk een soort open plankenkooien, waarvan de wanden het uitzicht hadden van weidehekkens en waardoor het water vrij kon stromen. Later evolueerden deze kooien tot meer gesloten bakken, om de riviervervuiling wat tegen te gaan. Uiteraard werden ze nog steeds voorzien van een brede gleuf onderaan om het uitzinken van het rootwater mogelijk te maken. Roten in gesloten bakken vereiste echter een tweede rootbeurt, waarbij de vlasbundels omgekeerd gestapeld werden, vermits het proces minder snel en onregelmatiger verliep dan in open kooien.

Het kunstmatig warmwaterroten was een rootwijze waar reeds mee geëxperimenteerd werd van in de 18e eeuw, maar dat in Vlaanderen pas ingang vond rond 1900. Onmiskenbaar had dit warmwaterroten voordelen, vermits men niet langer afhankelijk was van het klimaat, de nabijheid van de Leie niet meer vereist was.
Het duurde tot na de Eerste Wereldoorlog vooraleer men in de Leiestreek, nadat vergelijkingstests steeds meer in het voordeel van het warmwaterroten uitvielen, schoorvoetend overstapte op het nieuwe procédé. In 1943 wordt het Leieroten dan officieel verboden. Tegenwoordig is ook het warmroten vervangen door dauwroten, waarbij het vlas na het slijten op het veld blijft.

BRAKELEN EN ZWINGELEN
De vezels, die bovenop de houtpijp liggen, werden losgeweekt bij het roten. Een optimale verwijdering ervan vereiste echter het doorbreken van de houtpijp in kleine leemstukjes. Men noemde dit “brakelen”. Brakelen was de voorbereiding tot het “zwingelen”: hierbij werden de laatste lemen, die na het brakelen nog tussen de vezels hingen, eruit geslagen. In de oudste tijden gebeurde dat aanvankelijk met een stok; nadien kwamen handiger werktuigen in voege: de zwingelspaan, de sterremolen en tenslotte de industriële zwingelmachines.


HEKELEN EN KAARDEN
De laatste bewerking die het vlas moest ondergaan om klaar te zijn voor het spinnen en weven, was het “hekelen”. De bedoeling was de vezelbundels te splijten en het feitelijke vlaslint (= spinklare vezels, ook lont of band genoemd) te scheiden van het zogenaamde “werk” (= te korte stugge vezels voor het spinnen van kwaliteitsgaren maar wel bruikbaar voor het vervaardigen van ruwere garens). De lange vlasvezels werden gekaard en gekamd om ze geschikt te maken voor het spinnen van fijne garens. De linten die van de kaarders kwamen werden dan naar de spinnerij gebracht.

SPINNEN
Vlas spinnen gaat anders dan wol of katoen spinnen. Het is van het grootste belang dat de lange vlasvezels tijdens het spinnen netjes langs elkaar blijven en niet in de war raken. Voor een gladde, sterke en fijne draad wordt vlas nat gesponnen, wat wil zeggen dat het voorgaren alvorens het eigenlijke spinnen door warm water wordt geleid. Hierdoor wordt de lignine tussen de vezels zacht, zodat tijdens het rekken wat nu volgt, de vezels soepel en gelijkmatig ten opzichte van elkaar verschuiven. Nat spinnen geeft niet alleen de hoogste garennummers maar ook het sterkste, gladste en meest glanzende garen.



Logo bij' DVG       logo thuis in je buurt      logo Miat   Ambrosia's tafel