La Lys

 


Na het werk:
wonen en leven in de beluiken
van de Brugse Poort

citee

Vinkenzetting

Volkscafé De 3 Charels

 

Tijdens de jaren 1840 greep de hongersnood in België om zich heen. Vooral de mislukte aardappeloogst in 1845 bracht een enorme plattelandsvlucht teweeg. Bovendien bracht de huisnijverheid, die tot dan toe een belangrijk deel van de inkomsten betrof, steeds minder op. Meer en meer plattelandsbewoners zoeken hun geluk in de steden en de daarbij horende fabrieken. Tot dan hadden zelfs de twee grote gemechaniseerde vlasspinnerijen die in 1838 waren opgericht, La linière Gantoise en La Lys, nauwelijks kunnen concurreren met het goedkope met de hand gesponnen garen van op het platteland.

De stad was echter niet voorzien op de toeloop van de arbeiders, het kwam er dus op aan om zoveel mogelijk woningen te bouwen op een zo klein mogelijk oppervlak. Alle mogelijke achtertuinen en kleine lapjes grond werden volgebouwd met beluiken. De toegang bestond uit een lange, smalle meestal overdekte gang. Vandaar ook de naam ‘beluik’. Het woord is afkomstig van beloken, weggestoken. Ze waren meestal niet zichtbaar van op de straatkant.
Vanaf 1845 werd het meest oostelijk gedeelte, tussen de Drongensesteenweg en de 16de-eeuwse stad aangelegd: onder meer de Goudensterstraat en de Batterijstraat werden getrokken. Het zuidoostelijk deel van de Brugsesteenweg werd Phoenixstraat genoemd. Qua bebouwing ontstond een typische proletarische woonwijk met doorsnee rijhuizen en talrijke beluiken. Het stratennet rond het Emilius Seghersplein en de St.-Jan-Baptist parochiekerk werd uitgebreid. De Leiekaai werd aangevat.
In de jaren 80 van de 19e eeuw ontstonden ook de meeste straten links en rechts van de invalsweg, de Bevrijdingslaan.. In 1890 was 1 op 3 inwoners van de Brugse Poort arbeider of arbeidster, ter vergelijking, in het centrum was het slechts 1 op 13.
Evolutie van het aantal beluiken in de Brugse Poort:
1880: 76 beluiken
1890: 85 beluiken
1899: 117 beluiken
1904: 124 beluiken


Binnen in de cité

Het leven in de beluiken was geen pretje. De toch al ontheemde arbeiders kwamen terecht in huisjes van vier op vier meter groot. Men kwam door de voordeur meteen in de enige ruimte die dienst deed als keuken, woon- en slaapkamer. Het kamertje op de eerste verdieping was even klein en als men geluk had was er nog een zolderkamertje onder het dak. De enige stoof in het huisje deed ook dienst als fornuis. Meubels waren heel beperkt: een bed, één of meerdere stoelen, een tafel, enkele haken in de muur als kapstok, een oude kast. De huisraad kon bij de meesten op een stootkar worden geladen.

Veel beluiken kregen spottende bijnamen van de buurtbewoners, die verwezen naar de armtierige woonomstandigheden. We gebruiken deze namen nog steeds, het Luizengevecht en de Konijnenpijp, de Rooie cité, de Lange Roote, Kernemelkkoer en de Vossekoer zijn bekende voorbeelden.
Dat het leven in de cités geen pretje was hoorden we ook van onze getuigen. De inkomsten van Liliane bijvoorbeeld waren broodnodig in het gezin. Ze scheelde elf en veertien jaar met haar jongste broer en zus, het was niet evident om rond te komen. Als Liliane thuis kwam na een lange dag zwoegen in de fabriek wachtten er nog een pak huishoudelijke taken op haar.
Ze deelden met zes drie kleine kamertjes. Er was maar één toilet voor heel de beluik, die om beurten door de bewoners werd schoon gemaakt. Liliane nam naast haar vaste taken ook vaak nog de kuisbeurt van de buren over, zo kon ze een centje bijverdienen.
Wat het leven wel dragelijk maakte was de enorme solidariteit onder de arbeiders in de beluiken. De zeldzame geletterde man of vrouw bracht meestal de papieren van alle bewoners in de cité in orde.

Het vertier

Wanneer men een volledig beeld wil vormen van de arbeidersmentaliteit in de 19e eeuw mag men niet alleen de negatieve kanten van hun levenswijze bespreken. Een eentonig, triest en hopeloos bestaan is zeker een groot deel van de waarheid, maar men moet ook indenken dat het volk zijn plezier zocht en zich door het negatieve sloeg met het goedmoedig aanvaarden van de gebreken op alle gebied.
De arbeider hield zich veelal bezig met niet-elitaire duivensport, hanengevechten en zangwedstrijden voor vinken. Met de duivensport kon men mooie geldprijzen winnen en het was een goedkope hobby. Daarnaast waren het kaartspel en andere kansspelen sterk verspreid onder de arbeiders, maar meestal met kleine inzetten zoals een pint. In de weekends was er de danszaal waarvoor de vrouwen die de mogelijkheid hadden zich opsmukten. De kinderen kwamen ook mee en dansten voor de deur van de danszaal.

Occasioneel was er ook een kermis, een circus of het carnaval. Arbeiders bezochten ook opera’s en vormden een uiterst kritisch publiek die kritiek hadden op het burgerlijk levenspatroon die daarin weerspiegeld werd. De harmonieën en fanfarekorpsen van de arbeidersbewegingen uitten ook de strijdbaarheid.

Men kon ook sparen op café, er hing aan de muur een houten bak met kleine vakjes met een gleufje, een nummer en alles kon op slot. Om de zoveel tijd werd alles op de bank gezet en elk jaar ging men gezamenlijk op stap met de winst.

Vinkenzetting

De vinkenzetting werd georganiseerd door de cafébazen, er was steeds een prijs te winnen, zodat eigenlijk bijna iedereen met iets naar huis ging. De vinkenzetting zou ontstaan zijn in de 17e eeuw, maar vooral in de twee volgende eeuwen waren de vogelzangwedstrijden populair. De ogen van de vogel werden geschroeid, want men was van mening dat de vogels dan beter zongen. Is later verboden.
Aan de Groendreef en de Leiekaai waren er wedstrijden; elke vink zat in een klein kooitje, op een lange stok zette men een streepje telkens er een volledig “suskewiet” gezongen was. In het café de drei Charels kwam het tot ruzie omdat de Waalse en Vlaamse vinken anders zongen en men heeft zich toen gesplitst, een groep ging naar een andere café op de hoek met de Korhoenstraat met hun anderstalige vinken.

Er waren ook kaartingen, meestal “bieden” ook met te winnen prijzen verschaft door de mensen zelf of door de zelfstandigen uit de buurt. Op het einde van het jaar was er ook een koningskaarting; de winnaar was Koning, die kreeg een beker.
Voor verscheiden gelegenheden zoals Nieuwjaar was er een gezamenlijk diner gevolgd door een dansavond met tombola.

Caféspelen

Gaaibolling, krulbollen, hoefijzerwerpen, schietingen op staande en liggende wip, sjoelbakken en tritsen zijn enkele volkssporten en caféspelen. juke-box met dans en zang, tafelvoetbal, tapbiljart, vogelpik, kaarten, pietjesbak, flipper, kas voor geldspelen kwamen ook veel voor.

Gaaibollen is een kruising tussen krulbollen en schieten op de liggende wip. Er wordt gerold met een bol die lijkt op die van het krulbolspel over een baan van 15 tot 20 meter lengte. Door met grote kracht de bol recht tegen een gaai aan te rollen zal deze omver vallen. Hiermee verdient men punten. Afhankelijk van de plaats op de baan levert een gaai meer of minder punten op. De hoofdvogel is in het midden van de baan geplaatst.

Cinema’s in de Brugse Poort

Er werd veel naar de bioscoop gegaan. In de onmiddellijke buurt had je:

  • De ‘Novy’, de vroegere ‘Alhambra’, in de Blazoenstraat, de voormalige Peterseliestraat.
  • De ‘City’ aan de Noordstraat.
  • De ‘Ganda’, de vroegere Odeon op de Bevrijdingslaan
  • De ‘Ciné Luxor’, vroeger de ‘Moderne’ aan de hoek van de Drongensesteenweg en de toemalige Rooigemstraat,
  • De ‘Rio’ , vroeger de ‘verbroedering’ aan de Meibloemstraat.
  • De ‘cinema FAG’, genoemd naar de voornamen van de stichters, vlakbij het Fonteineplein, was het kleinste zaaltje, voor 60 man. Het heeft als eerste slachtoffer van de televisie zijn deur moeten sluiten. De andere zalen volgden



Julien Vandamme

Julien Vandamme

 

Logo bij' DVG       logo thuis in je buurt      logo Miat   Ambrosia's tafel