![]() |
|
|
|
|
|
Al van voor de Romeinse overheersing (57 v.c.) spinnen en weven onze voorouders, de Moerienen en de Menapiërs, wollen stoffen. Dankzij de Romeinen worden de technieken verbeterd, zodat de kleren en mantels uit onze contreien tot over de Alpen worden uitgevoerd en alom geprezen zijn om hun kwaliteit. Met de komst van de Franken wordt de uitvoer wel wat gestuit, maar niet de nijverheid zelf. Friese scheepvaarders, die langs de Schelde naar onze streken afzakken, kopen de Frankische lakens op, en verkopen ze door langs de Maas en de Rijn. Ook in de dorpen die ontstaan aan de rand van de St.-Pieters- en de St.-Baafsabdij wordt de wolnijverheid ingeschakeld. Tijdens de regering van Karel De Grote (°742, koning 768, +814) is nabij de St.-Baafsabdij een haven gevestigd, van waaruit het Gentse laken wordt uitgevoerd. Gedurende de 10de eeuw ontstaat de’ stad’ Gent, door de bouw van een versterkte burcht. In de nabijheid hiervan vestigen zich vrije burgers, half koopman, half ambachtsman, en komt de lakennijverheid weer op gang. Maar dan gaat het weer bergaf. Enerzijds door de strijd tussen Leliaerts en Clauwaerts (begin jaren 1300). Anderzijds door het embargo van de Engelse koning Eduard III. Jacob Van Artevelde staat voor een beslissende keuze en sluit zich, om Gent te redden, aan bij de Engelsen. Maar hij wordt door zijn stadsgenoten vermoord op 17 juli 1345. Gent wordt door de overheersers steeds meer ingesloten, en tot mijlen buiten de stad mag geen laken verhandeld worden. De lakenhandel is opnieuw op sterven na dood. Gent blijft door haar ligging en uitstekende haven echter een belangrijk handelscentrum, ondermeer voor graan, maar intussen ook voor de nieuw opgerezen vlasindustrie. Onder de regering van Albrecht en Isabella (begin 17de eeuw) kent Gent weer een zekere heropleving. Niet te vergelijken met de glorieperiode uit de 13de en 14de eeuw, maar toch… Zowel in de stad als op het platteland stijgt het aantal linnenambachters weer tot een 6 à 700 mensen. Toen in 1713 onze Zuid-Nederlanden door het Verdrag van Utrecht onder de Oostenrijkse Kroon komen, keert de rust en de handel helemaal terug. De vlasbewerking gedijt vooral op het platteland, waar in 1765 niet minder dan tweehonderdduizend Vlaamse spinsters, wevers en weefsters hun brood verdienen. Binnen de stad ontstaan enkele blekerijen ‘ramen’ genoemd. In de 2de helft van de 18de eeuw wordt katoen steeds meer gegeerd. Uit het Oosten wordt bedrukte katoen ‘Indienne’ ingevoerd dat razend populair wordt. Ook in Gent ontstaan experimenten. In 1760 richt Quirinus Vleminckx de eerste katoendrukkerij in Gent op. In 1766 is het de beurt aan baron Joos Clemmen. Tegen het begin van de 19de eeuw zijn er in Gent enkele tientallen. Het is ook de tijd van de eerste mechanisatie, een al gauw niet meer te stoppen tendens. Nadat Lieven Bauwens de eerste stoomspinmachine uit Engeland naar onze streken smokkelt, gaat het in vliegende vaart. De katoenindustrie kent een geweldige boom. Tegelijkertijd doven de drukkerijen en de vlasspinnerijen uit. Door de continentale blokkade van Napoleon, maar ook door een verzadiging op de markt, zakt de katoenproductie echter tegen 1819 weer helemaal in elkaar. En zo komen we langzaamaan aan de geboorte van La Lys. Het was Joos Clemmen (zie hoger), die als eerste een bedrijf start op de Nieuwe Wandeling. Wegens het succes van zijn katoendrukkerij (eerst nabij het Baudelo, later in Garenstraat) is hij verplicht naar uitbreidingsmogelijkheden op zoek te gaan. Zijn aanvraag om hiervoor een deel van het Prinsenhof te kopen, wordt in 1776 afgewezen. Dus gaat hij maar op zoek naar ruimte aan de kant van de Brugse Poort.
|