La Lys

 


De directeurs en bedienden

 

 

Getuigenis 'Witte kielen'

 

De directeurs

La Lys was opgericht in 1838 door enkele prominenten uit Gent. De Hemptinnes bezaten naast La Lys nog enkele andere fabrieken in Gent. Hetzelfde gold ook voor de Caeneghems, Rosseel en De Gandt. De Gentse textielwereld werd eigenlijk overheerst door een paar machtige families, het hoofd van de families werden door de arbeiders de textielbaronnen genoemd.

Onze getuigen hebben het vooral over de Morels (de Boucle Saint-Denis) en de Vander Stegens. Ook al behoren deze twee families niet tot de stichters, het waren vooral zij die de fabriek leidden.

Directeur-beheerder M.E. Morel werkte vanaf de oprichting in de fabriek, hij was het die ze in de volgende jaren tot grote bloei bracht. Maar ook op sociaal gebied was de heer Morel een uitstekende werkgever. Naast goede lonen genoten de arbeiders en bedienden van vele extra-legale voordelen en voorzieningen wat in die periode een uitzondering was. De directeur werd dan ook door de werknemers op handen gedragen en in 1851 werd hem door de bedienden van de fabriek een kleine gouden erepenning aangeboden.

Jet, die bediende was in La Lys vanaf 1948, spreekt ook lovend over Mijnheer Morel, wellicht een kleinzoon van de eerste Morel. De directeurs waren duidelijk van een andere stand, maar toch heel toegankelijk. Toen de familie op een gegeven moment uit hun huis moest deed Jet beroep op mijnheer Morel, dankzij hem werden ze hoger op de wachtlijst van de appartementen gezet en konden ze binnen de week verhuizen. Morel is haar ook komen bezoeken als ze ziek was en gaan kijken naar een toneelopvoering waarin ze meespeelde in ’t Geluk in ’t werk. Jet beschrijft hem als afstandelijk, maar hij hielp de mensen. Toen ze in 1956 vertrok uit La Lys vertelde men haar dat mijnheer Morel zo een spijt had: “Je regrette beaucoup. Mademoiselle Vergaert etait si agréable a regarder. …”

De Vander Stegens begonnen in de fabriek vanaf 1848. We vonden nog een telg van de familie Vander Stegen: Pierre,de achterkleinzoon van de eerste Vander Stegen. Pierre werd geboren in de directeurswoning achteraan de fabriek, nu nog altijd gekend als ‘Kasteel Vander Stegen’ of ‘Het huis in den hof’. Pierre volgde zijn vader op en begon als adjunct directeur. In 1957, na enkele jaren werd hij benoemd als technisch directeur, “Directeur des Travaux”, door het pensioen van Léon Goossens.
Binnen de fabriek had hij een breed takenpakket, hij was verantwoordelijk voor de hoeveelheid en de kwaliteit van de productie plus het superviseren van onderhoud van de machines en de gebouwen.

Ook Claudine, de dochter van de hierboven al vermelde Léon Goossens (directeur-ingenieur tot 1956), bracht haar jeugd door in de directeurswoningen aan het Van Hembysebolwerk. Léon Goossens was een heel belangrijke man binnen de fabriek, iemand die heel wat veranderingen teweeg heeft gebracht. Het was een zeer intelligente man die machines ontwierp die later in de fabriek werden gebruikt. Hij was ook verantwoordelijk voor het oprichten van een kwaliteitslaboratorium, hier kon men perfect de kwaliteit van het vlas nagaan. Deze evolutie was een heel grote vooruitgang binnen de vlasspinnerij.
Claudine woonde tot haar 26 jaar in een van de directeurswoningen vooraan de fabriek. Op haar zesentwintigste huwde ze en verliet de fabriek en dus ook de Brugse poort.
Claudine haar grootouders woonden in die tijd in het kasteeltje aan de achterkant van de fabriek. Zelf had ze weinig contact met de arbeiders, wel ging ze buiten de werkuren vaak spelen in de fabriek en rolschaatsen op de daken met haar zus.

Het klassenverschil tussen de directeurs en de arbeiders was enorm. Claudine vertelt dat ze in de directeurswoning vier badkamers hadden! De families hadden meestal ook nog een vakantiewoning, zo was Kasteel Borluut in Sint-Denijs-Westrem in handen van de Morels.


De mannen met de witte kiel

In de jaren 1940 werkten er 42 bedienden in La Lys, allemaal mannen buiten Jet. Hun uniformen bestond onder andere uit een witte schort, in de fabriek kregen ze als bijnaam ‘de mannen met de witte kiel’. Je had twee soorten bedienden: diegenen die ‘vooraan’ werkten, dat was in een bediendekantoor net achter de directeurswoningen aan het Van Hembysebolwerk. Deze bedienden verzorgden de aankoop, verkoop en het onderhoud. Ook de briefwisseling van de verschillende directeurs gebeurde door hen. Dan had je ook nog bedienden in de fabriek zelf. Die hielden zich vooral bezig met de lonen, de arbeiders kregen die nog in de hand.

De mannen met de witte kiel hadden niet veel contact met de arbeiders, ze mochten zelfs vijf minuten vroeger door gaan, zodat ze niet tussen de arbeiders naar buiten zouden moeten gaan.

André begon als bediende in La Lys in 1947. Op negentienjarige leeftijd studeerde hij af van het hoger middelbaar in de richting handelswetenschappen. Kort hierna begon hij zijn loopbaan in La Lys.
André was één van de 40 bedienden in dienst. Hij begon in de “Grand bureau” waar nog 15 andere bedienden zaten en waar hij bezig was met de boekhouding van La Lys.
Hij werkte wekelijks 40 uur, dit was vier uur minder dan de gewone arbeiders die er werkten. Ook op zaterdagmorgen werd er gewerkt. Iedere dag was opgedeeld in twee delen, van 8 tot 12u en van 14u tot 18u.

Jet kwam in 1948 aan in La Lys waar ze begon in de infirmerie. Ze werd aangenomen omdat men een vrouw tekort had op de sociale dienst van de fabriek. De verpleegster/sociaal assistente moest veel huisbezoeken afleggen; bij een geboorte, ziekte, sterfgevallen,… dan was er op de fabriek geen vrouwelijke verpleegster meer om de vrouwen die gekwetst waren te verzorgen. Die moesten dan direct naar het ziekenhuis. De arbeidsters deden hierover hun beklag en zo werd Jet aangenomen. Ze diende de eerste zorg toe en deed ook nog administratief werk, zoals de gezondheidsboekjes invullen en de werkuren van de vrouwen bijhouden voor de kinderbijslag. Na enkele jaren klom Jet omhoog, ze mocht de sociale dienst verlaten om de briefwisseling van directeur Morel te verzorgen.

De omstandigheden in La Lys waren voor Jet veel beter dan in de Sudac. Ze werd veel beter betaald; 400 frank in de week, daar bovenop kreeg ze een dertiende maand uitbetaald en had ze veertien dagen verlof.


Logo bij' DVG       logo thuis in je buurt      logo Miat   Ambrosia's tafel